Kerstverhaal: het kleine kaarsje

In de kerk stonden vele kaarsen. Grote, ferme kaarsen, statige ranke kaarsen, kleine ronde kaarsjes. Verdeeld over de verstilde ruimte, waar de mensen alleen fluisterend of zingend spraken. De kaarsen wachtten.

Toen het kleine kaarsje aangestoken werd sputterde ze eerst nog even, ze probeerde de droom te achterhalen waar ze uit ontwaakte. Toen rekte ze zich uit en keek om zich heen. Lange schaduwen rekten met haar mee en verduisterden nog dieper naarmate ze verder reikten. De verschillende lagen donker overlapten elkaar en versprongen onrustig. Donker en stil, ruim en kil ervoer het kaarsje deze nieuwe wereld. Ergens vanbinnen voelde ze dat het anders kon zijn en roerde zich een verlangen.

Er kwamen mensen binnen, zachtjes, onrustig en vol verwachting drentelend van hier naar daar. Een bleef voor het kaarsje staan in stille verwondering. Het kaarsje zag schaduwen flakkeren over het gezicht dat zich naar haar toe boog. Ze nestelden zich in de holtes en streelden de rondingen en hoeken. Maar daar, in de ogen zag het kaarsje haar hoop: twee kleine puntjes van iets wat tot dan toe had ontbroken. Twee flintertjes licht, zacht en warm en vreugdevol. Even verheugde het kaarsje zich maar toen werd ze weer alleen gelaten en verdween het licht. ‘Kwamen er maar meer mensen voorbij,‘ dacht het kaarsje, ‘ dan zou de wereld een stuk lichter zijn.

Naast haar begon een lichtje te groeien: nog een kaarsje ontwaakte. Het kleine kaarsje zag hoe een klein vlammetje even sputterde en toen groeide tot een warme en lichte vlam. Ze koesterde zich in de warmte en bewonderde het heldere licht. Het viel haar op dat om haar heen de schaduwen minder diep leken te worden. Het kaarsje naast haar bracht licht naar de wereld om haar heen. Het kleine kaarsje voelde zich zowel gelukkig als verdrietig.’Was ik ook maar zo,’ dacht ze, ‘dan zou de wereld een stuk lichter zijn.

‘Hoe doe je dat?’ vroeg ze aan het andere kaarsje.’Hoe doe ik wat?’ het andere kaarsje knipperde van verbazing.
‘Hoe schijn je zo helder en zo warm?’
‘Natuurlijk doe ik dat,’ zei het andere kaarsje blij, ‘ik ben toch een kaarsje!’

Het kleine kaarsje schaamde zich. Blijkbaar had ze iets gemist. Hoe kon het toch zijn dat het andere kaarsje zoveel licht verspreidde waar het kleine kaarsje eerder alleen schaduwen zag? Er moest iets mis met haar zijn, ze was als kaarsje niet erg geschikt. En al kon het kleine kaarsje zich warmen en verheugen om het licht van alle andere kaarsjes en kaarsen, die langzaam ontwaakten, geen van hen kon haar iets wijzer maken. Soms voelde ze zich aan het randje van een inzicht, een openbaring die haar zoektocht kon beëindigen: het leek zo dichtbij! Maar steeds opnieuw ontglipte haar de kennis en verloor ze zich in schaduwen.

Toen begonnen de mensen samen te zingen en terwijl hun stemmen zich samen voegden in een prachtig lied, vergat het kaarsje haar zorgen. Ze keek niet meer naar het donker om haar heen en ook niet naar de andere kaarsjes. Ze luisterde intens en voelde zich gedragen door de tonen overal om haar heen. In de stemmen leek donker en licht zich te mengen tot een grotere werkelijkheid dan het kaarsje kon bevatten. En als vanzelf straalde ze, zacht, gelijkmatig en helder. Dat was genoeg.

Het kaarsje kon haar eigen licht niet zien behalve in een ander: zij was het licht.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s